
Jurisprudentie
AR3029
Datum uitspraak2004-11-09
Datum gepubliceerd2005-01-12
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01511/03 P
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-01-12
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01511/03 P
Statusgepubliceerd
Indicatie
Redelijke termijn. 's Hofs oordeel dat de overschrijding van de inzendtermijn gecompenseerd is doordat de appèlbehandeling met bijzondere voortvarendheid is geschied, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk (meer dan 18 maanden tussen instellen appèl en einduitspraak). HR doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af en vermindert de omvang van de betalingsverplichting.
Conclusie anoniem
Nr. 01511/03 P
Mr. Machielse
Zitting 21 september 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker is betrokkene]
1. Aan verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij uitspraak van 10 februari 2003 de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 52.799,-, subsidiair 470 dagen hechtenis.
2. Namens verzoeker hebben mr. R.M. Heemskerk en mr. J.W. Heemskerk, advocaten te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt over 's Hofs verwerping van het beroep op overschrijding van de redelijke termijn.
4. Het Hof heeft dienaangaande het volgende overwogen:
"Zowel door de advocaat-generaal als door de raadsvrouwe van de verdachte is betoogd dat het te betalen bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden verminderd, omdat het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn zou zijn geschonden.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn.
Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens een verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 18 november 1998, de dag waarop de verdachte ervan op de hoogte is geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 van het Wetboek van Strafvordering is ingesteld.
Naar het oordeel van het hof is het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn in casu niet geschonden, omdat de termijn noch in zijn geheel noch in zijn afzonderlijke onderdelen als onredelijk lang moet worden aangemerkt.
Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee de zaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.
Het hof merkt in dit verband voor wat betreft de procedure in eerste aanleg op dat tussen het moment van aanvang van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn en de uitspraak in eerste aanleg weliswaar een periode van meer dan twee jaren is verstreken, doch naar het oordeel van het hof is de overschrijding van deze termijn in overwegende mate toe te rekenen aan het optreden van de verdediging, te weten het in de verknochte hoofdzaak doen van herhaalde verzoeken tot het horen van getuigen.
Voor wat betreft de procedure in hoger beroep geldt dat, nu de stukken van het geding eerst meer dan acht maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van het hof zijn ingekomen, de inzendingstermijn is overschreden. Deze overschrijding is evenwel gecompenseerd, doordat de zaak in hoger beroep met bijzondere voortvarendheid ter terechtzitting is aangebracht en behandeld.
Ook de totale duur van berechting is niet zodanig dat een inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM moet worden aangenomen."
Aldus heeft het Hof het beroep op overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg zonder blijk te geven van een verkeerde rechtsopvatting en op begrijpelijke wijze verworpen. Dat het tijdsverloop in eerste aanleg de twee jaar heeft overschreden is immers mede een gevolg van de hoeveelheid telastegelegde zaken in de met de ontnemingsvordering samenhangende strafzaak, de samenhang met zaken tegen andere verdachten en, zoals het Hof ook uitdrukkelijk heeft overwogen, de namens verzoeker gedane verzoeken om het horen van getuigen in de strafzaak. Dit zijn allemaal omstandigheden die van invloed zijn op de feitelijke vaststelling of een termijn nog redelijk genoemd kan worden.(1)
5. Wat betreft de overschrijding van de inzendingstermijn in hoger beroep, is 's Hofs vaststelling dat dit, gelet op de voortvarendheid waarmee de zaak in hoger beroep verder is behandeld, niet leidt tot overschrijding van de redelijke termijn, discutabel. Het hoger beroep is op 18 juli 2001 ingesteld. Het arrest dateert van 10 februari 2003, dus van bijna 19 maanden later. Persoonlijk zou ik ertoe neigen om aan te nemen dat de vertraging voldoende is goedgemaakt wanneer de mate van overschrijding van de inzendingstermijn in het vervolgtraject in een voorsprong wordt omgezet. Als in de onderhavige zaak de inzendingstermijn met twee maanden zou zijn overschreden zou naar mijn waardering die overschrijding in voldoende mate worden gecompenseerd wanneer de einduitspraak 22 maanden na het instellen van het hoger beroep volgt, dus twee maanden eerder dan bij een reguliere gang van zaken mag worden gevergd. De opgelopen vertraging wordt dan niet enkel tenietgedaan maar zelfs omgebogen. De extra inspanningen van de rechter geven de verdachte een voorsprong die direct aan de eerdere overschrijding is gerelateerd. Aldus is een genuanceerde en evenredige compensatie mogelijk voor de mate van overschrijding.
Ik maak uit de rechtspraak van de Hoge Raad echter op dat slechts van een compenserende bijzondere voortvarendheid kan worden gesproken wanneer niet meer dan 16 maanden verlopen tussen het instellen van het appel en de uitspraak.(2)
In die uitleg is de redelijke termijn overschreden en is die overschrijding niet gecompenseerd.
In de onderhavige zaak is een vertraging van twee maanden omgezet in een vervroeging van vier maanden. In mijn optiek is er ruim voldoende gecompenseerd en kan het middel dus niet slagen.
6. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet uitdrukkelijk heeft gemotiveerd waarom het het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geschat op een hoger bedrag dan door het Openbaar Ministerie gevorderd.
7. Het middel miskent dat de schatting van het Hof gebaseerd is op het voordeel verkregen uit elf feiten, terwijl het door het Openbaar Ministerie gevorderde bedrag, zoals blijkt uit het aan het proces-verbaal van de zitting gehechte schriftelijke stuk van de Advocaat-Generaal, gebaseerd is op het voordeel verkregen uit tien feiten. Reeds hierom was het Hof niet gehouden uitdrukkelijk te motiveren waarom het tot een hoger bedrag komt dan het Openbaar Ministerie.
8. Het middel faalt derhalve en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen.
9. Ingevolge de art. V en VI van de Wet van 8 mei 2003 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (Stb. 2003, 202) is op de onderhavige zaak art. 577c Sv van toepassing.
10. De Hoge Raad zal de bestreden uitspraak kunnen vernietigen voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd.
11. Ambtshalve heb ik overigens geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover daarin vervangende hechtenis is opgelegd en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307, m. nt. JdH, met name r.o. 3.9.
2 HR 16 december 2003, nr. 01399/03/P; HR 18 november 2003, LJN AM0234.
Uitspraak
9 november 2004
Strafkamer
nr. 01511/03 P
SCR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 februari 2003, nummer 20/001248-02, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedatum] 1965, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 10 juli 2001 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 52.799,--, subsidiair 470 dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben mr. R.M. Heemskerk en mr. J.W. Heemskerk, beiden advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het oordeel van Hof dat de overschrijding van de redelijke inzendtermijn is gecompenseerd door een bijzonder voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep niet begrijpelijk is.
3.2.1. Ter terechtzitting van het Hof is namens de betrokkene aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden en dat daarom de hoogte van het ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel te betalen bedrag moet worden verminderd. Het Hof heeft dit verweer verworpen en daartoe, voorzover van belang voor de beoordeling van het middel, als volgt overwogen:
"Voor wat betreft de procedure in hoger beroep geldt dat, nu de stukken van het geding eerst meer dan acht maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van het hof zijn ingekomen, de inzendingstermijn is overschreden. Deze overschrijding is evenwel gecompenseerd, doordat de zaak in hoger beroep met bijzondere voortvarendheid ter terechtzitting is aangebracht en behandeld."
3.2.2. De stukken houden in dat de verdachte op 18 juli 2001 hoger beroep heeft ingesteld en voorts dat het dossier op 10 mei 2002 ter griffie van het Hof is ingekomen.
3.3. Het oordeel van het Hof dat de behandeling van de zaak in hoger beroep met bijzondere voortvarendheid is geschied, is - in aanmerking genomen dat tussen het instellen van hoger beroep op 18 juli 2001 en de einduitspraak meer dan 18 maanden zijn verstreken - zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk (vgl. HR 20 oktober 2002, LJN AE7634 rov. 3.5). Het middel is terecht voorgesteld.
3.4. De Hoge Raad zal de zaak in dit opzicht om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. Daarbij neemt de Hoge Raad als uitgangspunt dat de door het Hof vastgestelde overschrijding van de inzendingstermijn niet door een bijzonder voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep is gecompenseerd. Dat leidt tot het oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot vermindering van het ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel te betalen bedrag als hieronder vermeld.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
Ingevolge de art. V en VI van de Wet van 8 mei 2003 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (Stb. 2003, 202) is op de onderhavige zaak art. 577c Sv van toepassing. De Hoge Raad zal daarom de bestreden uitspraak vernietigen voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd (vgl. HR 7 oktober 2003, LJN AF9473).
6. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de opgelegde vervangende hechtenis;
Vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 50.000,-- bedraagt;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 9 november 2004.

